Uiteindelijke compensatie SNS afhankelijk van maatschappelijke opvattingen

2013-04-16 |

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) heeft het besluit van de Minister van Financiën van 1 februari om tot onteigening over te gaan van aandeelhouders, achtergestelde obligatiehouders en certificaathouders van SNS REAAL in stand gelaten. De RvS heeft terughoudend getoetst en zich beperkt tot de vraag of de minister in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot onteigening gebruik heeft kunnen maken, of deze uitoefening proportioneel is, en of de beginselen van goed bestuur in acht zijn genomen.

De RvS kon het oordeel over het onteigeningsbesluit niet laten afhangen van de vraag of de minister de gedupeerden schadeloos stelt. De beoordeling van het onteigeningsbesluit en eventuele schadeloosstelling staan los van elkaar. De minister heeft de schadeloosstelling op nihil gesteld. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (OK) is door de minister verzocht de schadeloosstelling definitief vast te stellen. De zitting van de OK is voorzien voor 22 april.

Nu het onteigeningsbesluit in stand blijft en ook de schadeloosstelling door de Ondernemingskamer waarschijnlijk op nihil zal worden gehouden, zal er een volgende ronde procedures komen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan nog iets zeggen over schending van het eigendomsrecht op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar de aandacht zal met name uitgaan naar de privaatrechtelijke procedures. Gedacht kan worden aan een enquêteprocedure naar wanbeleid bij de Ondernemingskamer, procedures tegen de vennootschap SNS, de oude SNS top en derde partijen zoals de accountant en vermogensbeheerders.

Wat nu indien beleggers in al deze procedures nul op het rekest krijgen en gelijktijdig blijkt dat SNS bloeit en groeit als nooit tevoren? Uiteraard kan in de toekomst niet worden gesteld dat het besluit van de minister alsnog onjuist is. Hij handelde immers met de kennis van dat moment (1 februari 2012) en een rechter in hoogste instantie heeft het besluit getoetst. Het is de vraag of een vorm van compensatie dan nog voor de hand ligt.

Ingewikkeld hoeft dit echter niet te zijn als men aanneemt dat op de Staat een morele verplichting tot compensatie rust. In dat geval bestaat er een natuurlijke verbintenis, aangezien de Staat jegens onteigende beleggers ”een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.”

Het verschil met een zogenaamde civiele verbintenis is dat een natuurlijke verbintenis niet in rechte afdwingbaar is. Daarom is dit een tamelijk obscuur rechtsfiguur. Aan natuurlijke verbintenissen is in het burgerlijk wetboek slechts een drietal artikelen gewijd. Daarin wordt wel bepaald dat de wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen ook op natuurlijke verbintenissen van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij de wet meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis.

De schaarse jurisprudentie van de Hoge Raad hierover is vrij oud en ziet op zaken als verzorgingsplicht buiten alimentatie om (1946) en pensioentoezeggingen (1971). Relevanter voor de SNS beleggers is een arrest uit 1992 waarin werd bepaald dat het restant van een schuld na voldoening van het faillissementsakkoord een natuurlijke verbintenis meebrengt. Hetzelfde geldt volgens de faillissementswet voor resterende schulden na beëindiging van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen.

Wie zou zich moeten uitspreken over de morele verplichting van de Staat? De Raad van State, de Ondernemingskamer of de politiek? En wat als het EHRM de toepassing van de interventiewet alsnog ziet als inbreuk op het eigendomsrecht? De Staat zal de wetgeving moeten aanpassen, maar het onteigeningsbesluit zal er niet mee ongedaan worden gemaakt. Legt dit een morele plicht op de Staat? Er zullen heel wat gedupeerden uit andere debacles en onteigeningszaken zijn die zich zullen roeren en voor juristen en filosofen is het een hele interessante stellingname.

Interessant is namelijk dat de vaststelling altijd bij een rechter -en daarmee achteraf- plaats heeft, die zich moet buigen over de begrippen morele verplichting en maatschappelijke opvattingen. De werelden van moraal en recht komen nu wel heel dicht bij elkaar. Zij die zoveel mogelijk rechtszekerheid vooraf wensen zal dit benauwen. Rechtsfilosofen daarentegen zullen zeggen dat de kern van het recht naar voren komt en moraal en recht tot elkaar staan als waarden tot normen.

Concreet speelt een rol dat de onteigende aandelen ook vlak voor het onteigeningsbesluit nauwelijks nog iets waard waren, maar dit speelt weer minder een rol bij de achtergestelde obligatiehouders. Deze laatste groep ziet overigens wellicht iets terug indien zij zich hebben verzekerd tegen wanbetaling op hun obligaties.

Interessant is dat het NRC bericht dat SNS intern over één van de gefinancierde projectontwikkelaars meldde dat aan het privévermogen géén substantiële waarde kon worden ontleend en dat eventueel voor de financiering te verlangen garanties enkel een morele waarde hebben. Het is dus maar zeer de vraag wat uiteindelijk de maatschappelijke opvatting over morele plicht zal blijken te zijn.

Wie het weet mag het zeggen.

Door: Joost Kramer. Joost is governance specialist en adviseur voor de ondernemingsleiding. Joost is als adviseur aan Blumstone verbonden.

Meer weten?

Terug

Bel direct op: 020 - 612 18 06

Of stuur een email

captcha