Aansprakelijkheid van toezichthouders in milieuzaken

2013-11-06 |

Op 22 maart 2011 heeft het Hof Den Haag een belangwekkende uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van toezichthouders. Hoewel de uitspraak in de CMI-zaak (LJN: BP8578) alweer dateert van twee jaar geleden, is het belang ervan nog steeds groot.

De feiten: meerdere overtredingen, diverse waarschuwingen en een ‘goed gesprek’
In de CMI-zaak speelde het navolgende. CMI (Container Masters (Nederland) B.V.) hield zich op een Rotterdamse locatie bezig met de op- en overslag van onder meer chemicaliën. Voor deze activiteiten had CMI een milieuvergunning. Op 11 mei 1995 constateerde de DCMR, de milieudienst die door het college van B&W van de gemeente Rotterdam met het toezicht op de naleving van de vergunningvoorschriften is belast, meerdere overtredingen. In de maanden daarna volgden er diverse waarschuwingen en een ‘goed gesprek’. Op 8 februari 1996 stelde de DCMR CMI een deadline: het bedrijf kreeg nog twee weken om aan te geven hoe de opslag van gevaarlijke stoffen zou worden beperkt en de risico’s ervan geminimaliseerd. Als CMI niet meewerkte, dan zou DCMR het college van B&W adviseren een last onder dwangsom op te leggen. CMI werkte echter niet mee, maar verzocht de bestaande situatie te gedogen.

Op 28 februari 1996 brak er brand uit in een van de loodsen van CMI. Het omvallen van enkele blauwe vaatjes op ernaast geplaatste witte emmertjes met calciumhypochloriet veroorzaakte daarbij een steekvlam in het vrijgekomen calciumhypochloriet, waarna ook de inhoud van de blauwe vaatjes in brand vloog. De loods en ook een nabijgelegen loods van een ander bedrijf gingen in vlammen op. De verzekeraars stelden de gemeente Rotterdam en de DCMR aansprakelijk. De Rechtbank Rotterdam wees de claim van de (meeste) verzekeraars toe bij vonnis van 26 mei 2004. In hoger beroep bekrachtigde het Hof dit vonnis.

Zowel de gemeente als de DCMR hadden voortvarend en dwingend moeten optreden
Het Hof stelt voorop dat aan de gemeente en de DCMR een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen of, hoe en wanneer zij handhavend wensen op te treden, ook na constatering van een overtreding van vergunningvoorschriften. De gemeente en de DCMR waren na de controlebezoeken door de DCMR op de hoogte van de ernstige risico’s bij CMI. De gemeente en de DCMR hadden de belangen van degenen die door de milieuvergunning werden beschermd, moeten laten meewegen bij de keuze voor de aanpak van CMI, aldus het Hof. Gelet op de ernstige risico’s mocht in het geval CMI een voortvarend en dwingend optreden worden verwacht. Volgens het Hof is dat er niet geweest en zijn gemeente en de DCMR onrechtmatig nalatig geweest. Het Hof houdt niet alleen de gemeente als bevoegd gezag voor de vergunning en handhaving aansprakelijk, maar ook de DCMR dat alleen (in mandaat) met het toezicht was belast en geen sancties kon nemen. Volgens het Hof strekt het vergunningstelsel van de Wet milieubeheer ertoe de omgeving van de inrichting, inclusief de economische belangen van omliggende bedrijven, te beschermen tegen vanuit de inrichting komend onheil, waarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste.

Europese jurisprudentie
De uitspraak van het Hof Den Haag is in het licht van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 juni 2002 en 30 november 2004 inzake Öneryldiz / Turkije geenszins verrassend. Op 28 april 1993 doet zich op een vuilnisbelt nabij Istanbul een methaangasexplosie voor. Er komen 39 mensen om het leven. Voor een dergelijke ramp hadden deskundigen de gemeente eerder gewaarschuwd.

In deze zaak heeft het Europees Hof een beginselplicht tot handhaving afgeleid uit artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit bepaalt dat het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Het Europees Hof ontleent hieraan de verplichting voor de aangesloten staten om burgers te beschermen tegen gedragingen van derden die een gevaar voor het leven of welzijn van de burgers kunnen vormen. Het Europees Hof laat weliswaar ruimte voor een belangenafweging, maar toezichthouders hebben niettemin in beginsel de plicht preventief op te treden indien zij op de hoogte zijn van een daadwerkelijk en onmiddellijk risico voor het leven of de gezondheid van personen. Bovendien moeten omwonenden over deze risico’s worden geïnformeerd.

Wat betekenen deze uitspraken voor toezichthouders?
Van een toezichthouder kan en mag niet het onmogelijke worden verwacht. De overheid is nu eenmaal niet toegerust om alle rampen en incidenten te voorkomen. Uit het arrest van het Hof volgt wel dat toezichthouders er verstandig aan doen bij kennis omtrent ernstige risico’s onverwijld op te treden en niet, zoals in de CMI-zaak, te veel tijd te laten verstrijken alvorens na constatering tot handhavend optreden over te gaan. Ook toezichthouders die slechts in mandaat toezichthoudende taken verrichten dienen erop bedacht te zijn dat zij voor falend toezicht aansprakelijk kunnen worden gehouden.

Toezicht-Handhaving-Aansprakelijkheid: waar kunnen wij u bij helpen?
Blumstone is in hoge mate gespecialiseerd in handhavingszaken. Wij treden daarbij op voor zowel overheden als voor particulieren. Het is zowel in het kader van de besluitvorming als in het kader van een eventuele aansprakelijkheidstelling nadien van belang de huidige stand van zaken in de jurisprudentie helder te hebben. Wij kunnen u hierover adviseren. Mocht het komen tot een handhavingsgeschil of tot een aansprakelijkheidsstelling kunnen wij u ook in rechte bijstaan.

By Boris Kocken

Terug

Bel direct op: 020 - 612 18 06

Of stuur een email

captcha